Mary Toft en de konijnenbaby's

mary toft
Mary Toft
Tijdens de heerschappij van koning George I (1660-1727) was Engeland vergeven van de rare snoeshanen, bedriegers en kwakzalvers. Maar het absolute toppunt van eigenaardigheid was wel het beruchte geval van Mary Toft uit Godalming en haar konijnenbaby's.

In september 1726 begon Mary Toft het leven te schenken aan konijnen. De plaatselijke arts, John Howard, werd door de familie ontboden en haastte zich naar het huis van de Tofts, waar hij Mary tot zijn grote verrassing moest bijstaan bij de bevalling van nóg eens negen konijnen. Ze werden allemaal dood geboren, en het waren eerder onderdelen van konijnen dan hele konijnen. Dat deed echter niets af aan het verbazingwekkende feit dat Mary Toft konijnen baarde.

Opgewonden schreef John Howard andere wetenschappers uit het hele land een brief, waarin hij hun dringend om hulp vroeg bij het vinden van een verklaring voor dit bizarre verschijnsel. Al snel arriveerden er twee vooraanstaande mannen, die door de koning zelf waren gestuurd, om onderzoek te verrichten: Nathanael St. Andre, de lijfarts van de koning, en Samuel Molyneux, de secretaris van de prins van Wales. Mary verklaarde tegenover deze twee mannen dat ze onlangs een miskraam had gehad, maar dat ze tijdens de zwangerschap ontzettend veel trek in konijnenvlees had gehad. Nadat ze een paar keer vergeefs had geprobeerd een konijn te vangen, had ze gedroomd dat er konijnen in haar baarmoeder zaten. Voordat ze het wist, had ze het leven aan konijnen geschonken.

In aanwezigheid van de artsen beviel Mary van nog meer konijnen. De mannen onderzochten haar om na te gaan of het verschijnsel wel echt was. Zo plaatsten ze een deel van de long van een van de konijnen in water en constateerden dat het bleef drijven. Dat betekende dat het konijn vóór zijn dood moest hebben geademd, wat in een baarmoeder niet mogelijk zou zijn geweest. Dit bewijs werd door de artsen verbazingwekkend genoeg genegeerd. Ze kwamen tot de conclusie dat Mary daadwerkelijk het leven aan konijnen had geschonken.

Op 29 november werd Mary naar Londen overgebracht. Ondertussen had ze in het hele land voor grote opschudding gezorgd, en het huis waar ze verbleef werd omgeven door een enorme mensenmenigte. Maar nu ze onophoudelijk werd geobserveerd, beviel Mary niet langer van konijnen, en al snel begon duidelijk te worden wat er aan de hand was. Er traden getuigen naar voren die verklaarden dat ze Mary's echtgenoot van konijnen hadden voorzien. Toen vervolgens de beroemde Londense arts Sir Richard Manningham dreigde dat hij Mary's baarmoeder in naam van de wetenschap misschien operatief zou moeten onderzoeken, was Mary zo verstandig om te bekennen. Ze verklaarde dat ze de dode konijnen eenvoudigweg in haar baarmoeder had ingebracht toen niemand keek, gedreven door het verlangen naar bekendheid en omdat ze hoopte dat ze van de koning een toelage zou ontvangen. Ze werd korte tijd vastgezet wegens oplichting, maar ze werd vrijgelaten zonder dat ze terecht hoefde te staan. Naar verluidt beviel ze binnen een jaar van een normaal, menselijk kind. John Howard en Nathanael St. Andre, de twee artsen die haar volledig hadden geloofd en haar het meest vurig hadden verdedigd, verging het minder goed. Hun medische loopbaan was geruïneerd.


Main Page Comments Search Site Back to:
De achttiende eeuw